Oppassen met de nieuwe regeling voorwaardelijke invrijheidstelling (VI)

In 2021 zal de nieuwe VI regeling van kracht worden. Deze regeling grijpt diep in in de manier waarop veel gevangenisstraffen ten uitvoer worden gelegd. In de kern komt het erop neer dat in de toekomst de VI maximaal twee jaar kan duren. Gevangenisstraffen langer dan zes jaar gaan dus de facto langer duren.

Een verdachte die nu veroordeeld wordt tot een gevangenisstraf van achttien jaar komt in aanmerking voor VI na twaalf jaar detentie. In de toekomst wordt dat dus pas na zestien jaar, vier jaar langer zitten. Ook de voorwaarden om in aanmerking te komen voor VI zullen worden aangescherpt. Een interessant punt is dat deze beperking van de VI door de bedenkers niet bedoeld is om te werken als een verhoging van de op te leggen straf. Terwijl evident is dat zestien jaar zitten een zwaardere straf is dan twaalf jaar zitten.

Voor verdachten wordt dus van groot belang hoe rechters in de toekomst om zullen gaan met de consequenties van de nieuwe regeling. Ook nu gaan rechters verschillend om met de manier waarop hun beslissingen in de praktijk uitpakken. Een bekend voorbeeld is de rechter die in het vonnis overweegt dat een gevangenisstraf van vier jaar passend zou zijn maar dat vanwege de (goede) proceshouding van de verdachte daarvan één jaar voorwaardelijk wordt opgelegd. Bij een gedeeltelijk voorwaardelijke straf komt er geen VI zodat de verdachte die “beloond” moet worden vier jaar minus één jaar = 36 maanden gaat zitten en de ander, die niet beloond wordt, vier jaar minus een derde = 32 maanden. De “beloning” is vier maanden extra zitten plus nog een jaar voorwaardelijk op de lat. Dat is natuurlijk een hele vreemde uitkomst, het gevolg van het feit dat deze rechter het gevolg in de praktijk van de beslissing niet heeft overdacht. Andere rechters laten in het vonnis merken dat ze wel goed dit soort effecten van hun vonnis hebben overwogen.

Het is straks aan de verdediging om waar nodig de rechter erop te wijzen dat de VI er anders uit ziet en dat dat meegewogen moet worden bij de oplegging van straf. Het was immers niet de bedoeling dat de straf zwaarder zou worden.

De nieuwe regeling geldt voor beslissingen na de ingangsdatum. In de Eerste Kamer is terecht aandacht geweest voor zaken die op de ingangsdatum in hoger beroep lopen. Geldt dan de datum van het vonnis van de rechtbank of de datum van de beslissing in beroep ? Het kamerlid Recourt stelde dat tijdens de wedstrijd de regels niet veranderd mogen worden en dat dus verdachten die nog in afwachting zijn van de behandeling van hun hoger beroep niet benadeeld mogen worden, lees: onder de oude, gunstiger, regeling moeten vallen. Maar of en hoe dat geregeld gaat worden is nog niet duidelijk. Dat geldt ook voor zaken die nog in de cassatie fase zitten.

Zit u in zo’n situatie dan adviseer ik u om samen met uw advocaat alert te zijn hoe dit uit gaat pakken.

Ter illustratie kunnen de avonturen van Volkert v.d. G. dienen. U weet wel de moordenaar van Pim Fortuyn die vanaf 2014 regelmatig het nieuws haalde omdat hij bij herhaling de voorwaarden opgelegd in het kader van de VI bij de rechter aanvocht.

V.d.G. was in 2003 veroordeeld tot achttien cel. VI was toen een automatisme, na twaalf jaar, in 2014, zou V.d.G. vrij man zijn, zonder voorwaarden. Daar gingen de rechters die hem veroordeelden ook van uit. In 2008 werd echter de VI regeling aanzienlijk strenger, VI moest verdiend worden en er konden vanaf dat moment tal van voorwaarden worden opgelegd. Daarbij werd bepaald dat de nieuwe VI regeling ging gelden voor nieuwe veroordelingen én voor iedereen die nog langer dan vijf jaar te gaan had, zoals V.d.G. In de zes jaar van de VI had V.d.G. inderdaad te maken met strenge voorwaarden zoals mediaverbod, reclasseringscontact, enkelband en een verbod om te reizen. Voor hem (en anderen) pakte de straf als gevolg van de wijziging in 2008 uiteindelijk veel zwaarder uit dan door de rechter bedoeld en voorzien was. Zijn voortdurend ageren tegen de aan hem opgelegde voorwaarden kon ik dan ook goed begrijpen, te meer daar hij ook meestal van de rechter gelijk kreeg. Die rechter had wellicht ook door dat aan V.d.G. in feite een groot oor was aangenaaid doordat de wetgever – uiteraard met grote instemming van het publiek – de spelregels veranderde tijdens zijn wedstrijd.

Bovenstaande woorden van Recourt en ook enige andere leden van de Eerste Kamer klinken mooi en zijn goed bedoeld. Maar wanneer uw zaak na de ingangsdatum van de nieuwe regeling nog niet onherroepelijk beslist zal zijn is het zaak om goed in de gaten te houden of er een overgangsregeling komt en hoe die er dan uit gaat zien. U wilt immers niet dat aan U een oor wordt aangenaaid.

Peter Plasman

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Peter Plasman
Strafrechtadvocaat bij Plasman Advocaten

Pin It on Pinterest

Share This